
AI-gegenereerd
Karpatka – Poolse soezentaart met vanillecrème
Log in of maak een gratis account aan om recepten op te slaan.
Bron: https://recipheon.com/nl/recepten/desserts/karpatka-poolse-soezentaart-met-vanillecreme
Over dit recept
Karpatka bestaat uit twee golvende lagen soezengebak met daartussen een hoge laag vanillecrème van banketbakkersroom en boter. Het goudkleurige gebak is licht en heeft veel onregelmatige bulten, terwijl de vulling duidelijk naar vanille ruikt en een gladde, luchtige textuur heeft. De deeglagen worden na elkaar in één rechthoekige vorm gebakken en moeten volledig afkoelen voordat je de taart vult. Voor een geslaagde crème is goed gekookte banketbakkersroom belangrijk, en moeten de room en zachte boter tijdens het kloppen ongeveer dezelfde temperatuur hebben. Na twee uur in de koelkast wordt de vulling stevig genoeg om te snijden. De taart levert 12 porties op; de bereiding met bakken, afkoelen en koelen duurt ongeveer zes uur.
Ingrediënten
Ingrediënten voor twee deeglagen en crème
375 g ongezouten boter met 82% vet: 125 g voor het soezendeeg en 250 g voor de crème
190 g Poolse tarwebloem voor gebak, type 450: 160 g voor het soezendeeg en 30 g voor de crème
250 ml water voor het soezendeeg
230–260 g losgeklopte hele eieren zonder schaal, ongeveer 5 eieren, maat M; pas de hoeveelheid voor het soezendeeg aan de consistentie aan
¼ theelepel fijn zout voor het soezendeeg
1 l melk met 3,2% vet voor de crème
4 eidooiers van eieren, maat M, voor de crème
60 g maïszetmeel voor de crème
190 g suiker: 180 g fijne suiker voor de crème en 10 g poedersuiker om te bestuiven
1 vanillestokje voor de crème
Bereiding
Neem 200 ml melk apart en klop deze met een garde samen met de eidooiers, 30 g bloem en al het maïszetmeel tot een glad mengsel zonder klontjes. Giet de resterende 800 ml melk in een steelpan met dikke bodem en voeg 180 g fijne suiker toe. Snijd het vanillestokje in de lengte open, schraap de zaadjes eruit en voeg zowel de zaadjes als het uitgeschraapte stokje aan de pan toe. Laat de 250 g boter voor de crème voorlopig in de koelkast.
Verwarm de melk met suiker en vanille al roerend op middelhoog vuur tot hij kookt, neem dan het vanillestokje eruit en gooi het weg. Roer het dooiermengsel door en klop er geleidelijk ongeveer de helft van de hete melk doorheen, voortdurend met de garde; giet alles terug in de pan. Kook op matig laag vuur en roer ook over de bodem en langs de randen, tot de banketbakkersroom duidelijk dikker wordt en ook in het midden grote luchtbellen openbarsten. Kook vanaf dat moment nog 2 minuten onder krachtig roeren: de room moet dik en glad zijn, zonder rauwe bloemsmaak.
Schep de banketbakkersroom in één of twee ondiepe schalen, zodat de laag maximaal 2 cm dik is, en dek af met vershoudfolie die de oppervlakte raakt. Zet de schalen ongeveer 20 minuten in koud water en zorg dat er geen water in de room komt. Zet ze daarna minstens een uur in de koelkast, tot de room volledig gekoeld is. Bereid en bak intussen de deeglagen; laat de banketbakkersroom in de koelkast tot de tweede deeglaag staat af te koelen.
Verwarm de oven voor op 200°C met boven- en onderwarmte en zet één metalen vorm klaar met een binnenmaat op de bodem van 20 × 30 cm en zijkanten van minstens 5 cm hoog. Breng in een steelpan 250 ml water met 125 g boter en het zout aan de kook; de boter moet gesmolten zijn voordat de vloeistof kookt. Neem de pan van het vuur, voeg alle 160 g bloem in één keer toe en roer krachtig met een spatel. Zet de pan terug op laag vuur en roer 2–3 minuten, tot het deeg een bal vormt, van de wanden loskomt en een dun laagje op de bodem achterlaat. Schep in een kom, roer om de stoom te laten ontsnappen en laat ongeveer 10 minuten staan: het deeg moet warm maar niet meer heet zijn voordat je de eieren toevoegt.
Voeg de losgeklopte eieren in enkele porties aan het afgekoelde deeg toe en meng elke portie goed met een spatel of een mixer op lage snelheid. Meng eerst ongeveer 200 g erdoor en voeg de rest daarna beetje bij beetje toe, terwijl je de consistentie controleert; meestal heb je in totaal 230–260 g nodig. Het deeg moet glad en glanzend zijn, zachte plooien in de kom behouden en langzaam als een dik lint van een opgetilde spatel vallen, waarbij er een V aan blijft hangen. Stop met eieren toevoegen zodra je deze consistentie hebt bereikt—het mengsel mag niet vloeibaar zijn.
Verdeel het deeg in twee gelijke delen; dek één deel af en zet het in de koelkast terwijl de eerste deeglaag bakt. Bekleed de bodem van de vorm met bakpapier en laat aan de zijkanten papier uitsteken, zodat je de gebakken laag kunt optillen. Strijk de andere deeghelft tot in de hoeken uit in de vorm, in een laag van ongeveer 5–7 mm dik. Laat brede, onregelmatige spatelstrepen op het oppervlak achter; die worden tijdens het bakken de kenmerkende golvingen.
Zet de vorm op het middelste ovenrooster en bak 20 minuten op 200°C. Verlaag daarna de temperatuur naar 180°C zonder de deur te openen en bak nog 15–25 minuten. Open de oven de eerste 30 minuten niet; als de deeglaag daarna nog bleek is in de kuilen, bak dan verder zonder naar binnen te kijken. De gebakken laag moet goed gerezen zijn, ook in de scheuren goudkleurig, met een droge, stevige buitenkant en niet met zachte, bleke plooien. Neem de vorm pas dan uit de oven; verleng de baktijd indien nodig met enkele minuten.
Til de eerste gebakken laag voorzichtig aan het bakpapier op en leg op een rooster. Trek vervolgens het papier onder het gebak vandaan. Zet de oven weer op 200°C, neem het resterende deeg uit de koelkast en wacht ongeveer 5 minuten, tot de vorm niet meer heet is. Bekleed de bodem met vers bakpapier, strijk de tweede deeghelft net als de eerste uit en bak 20 minuten op 200°C en daarna 15–25 minuten op 180°C. Verander de temperatuur zonder de deur te openen. Houd dezelfde aanwijzingen voor het gaar bakken en het openen van de oven aan als bij de eerste laag; leg ook de tweede gebakken laag op een rooster en haal het papier eronder vandaan.
Laat de tweede gebakken laag ongeveer een uur op het rooster staan, tot hij volledig is afgekoeld; de eerste koelt al af sinds de eerdere bakronde. Neem zodra de tweede laag op het rooster ligt de banketbakkersroom en 250 g boter voor de crème uit de koelkast, zodat ze tijdens dat uur ongeveer dezelfde kamertemperatuur krijgen. De boter moet zacht en gemakkelijk smeerbaar zijn, maar niet gesmolten, en de banketbakkersroom mag niet warm of ijskoud zijn. Wacht met kloppen als de ingrediënten nog duidelijk in temperatuur verschillen—warme banketbakkersroom laat de boter smelten, terwijl te koude room het schiften van de crème bevordert.
Klop de zachte boter met een mixer 3–4 minuten, tot hij lichter en luchtig is. Roer de banketbakkersroom kort glad met een garde en voeg telkens 1–2 eetlepels aan de boter toe. Mix op gemiddelde snelheid tot elke portie is opgenomen. Meng zo alle banketbakkersroom erdoor; de crème moet egaal, luchtig en stevig genoeg zijn om de sporen van de kloppers te behouden.
Bekleed de koude vorm met bakpapier dat boven de zijkanten uitsteekt en leg de minst golvende gebakken laag erin. Strijk alle crème erover uit, vul de kuilen en maak de bovenkant vlak; zo ontstaat een hoge laag van ongeveer 2–3 cm dik. Leg de tweede laag erop met de golvende kant naar boven en druk heel licht aan, zodat hij de crème raakt zonder de bulten plat te drukken.
Zet de Karpatka minstens 2 uur in de koelkast, tot de crème stevig is en gelijkmatig gesneden kan worden. Til de taart voor het serveren aan het bakpapier op, bestuif de bovenkant met 10 g poedersuiker door een zeef en snijd met een gekarteld mes in 12 stukken, in 3 rijen van 4 porties. Druk daarbij niet hard op de bovenste deeglaag. Bewaar de overige porties in de koelkast; het gevulde gebak wordt door de crème na verloop van tijd zachter.
Geschatte voedingswaarden
Beoordeel dit recept
0 beoordelingen
Reacties